door Lenore Beij, Marlous van Gool en Anika Mulder | advocaten bij Medirisk
Kennisdeling
Anika Mulder
| advocaat bij Medirisk
Marlous van Gool
| advocaat bij Medirisk
Lenore Beij
| advocaat bij Medirisk
Is het wenselijk en gepast dat een rechtbank ondanks concrete door een verzoekende partij voorgestelde vragen met als doel het in kaart brengen van zijn procespositie bepaalt met welke vraagstelling dat gebeurt?
In de meeste gevallen wordt de vraagstelling in feite opgelegd door de rechtbank, al dan niet met aanvullingen van partijen. Uitspraken waarin de vraagstelling niet wordt voorgesteld zijn zeldzamer geworden.
terug
Kennisdeling
Hoe ziet de “hoe hoort het te gaan en hoe is het gegaan”
-vraagstelling eruit?
De hiervoor beschreven uitspraken laten verschillende varianten van de “hoe hoort het te gaan en hoe is het gegaan”-vraagstelling zien. De inleiding die in vrijwel alle uitspraken wordt gebruikt luidt:
“Uw onderzoek(s-rapport) heeft als doel dat de rechter/jurist over het handelen van de betrokken arts kan oordelen; is er juist gehandeld door de arts? Het handelen van de betrokken arts moet de rechter toetsen aan een norm die geduid wordt als de norm van het goed hulpverlenerschap. Die norm vereist kennis van de medisch professionele standaard en de manier waarop de betrokken arts de geneeskundige behandeling heeft verricht. Om die toets te kunnen doen, is het noodzakelijk dat de rechter door u als medische deskundige wordt voorgelicht, om zo voorzien te worden van feitelijke informatie over de medische praktijk en het handelen van de betrokken arts. U wordt als medisch deskundige niet gevraagd om te oordelen over de aansprakelijkheid. Bij uw beoordeling moet u dan ook uit gaan van objectieve maatstaven. Leeftijd, rang en ervaring van de arts zijn voor de toets niet van belang. In dit kader worden u onderstaande vragen gesteld. Het zal niet mogelijk zijn om alle vragen met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te geven. Wel wordt gevraagd of u, vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied, de geformuleerde vragen wilt beantwoorden, naar de stand van de wetenschap op het moment waarop de geneeskundige behandeling plaats had, uw antwoorden te motiveren en zo mogelijk te verwijzen naar relevante literatuur. Het begrip ‘medisch professionele standaard’ moet u steeds opvatten als het geheel van regels en normen waaraan de hulpverlener is gehouden, die blijken uit de opleiding(s-eisen) voor medici, inzichten en ervaring uit de geneeskundige praktijk, wetenschappelijke literatuur, protocollen en gedragsregels.”
Die inleiding wordt meestal in ieder geval gevolgd door (ongeveer) de volgende vragen:
Beschikt u over voldoende gegevens om deze casus te beoordelen? Zo nee, wilt u aangeven welk aanvullend onderzoek u heeft verricht en/of welke gegevens u heeft opgevraagd?
HOE HOORT HET (IN HET ALGEMEEN) TE GAAN?
Kunt u voor de verschillende stadia van de geneeskundige behandeling, zoals verricht bij [verweerster of verzoeker], aangeven waaruit deze moet bestaan volgens de binnen de beroepsgroep bestaande professionele standaard?
Wilt u daarbij zoveel mogelijk verwijzen naar richtlijnen, protocollen en literatuur, en de (digitale) vindplaats daarvan vermelden?
Kunt u bij de verschillende stadia van de geneeskundige behandeling aangeven of met de bepaalde handelwijze beoogd wordt een specifiek omschreven medisch doel te bereiken?
Zo ja, welk doel?
Zijn er meerdere mogelijkheden van behandeling?
Zo ja, voor welke mogelijke behandeling is in dit geval gekozen?
Kunt u aangeven of er binnen de beroepsgroep bestaande medisch professionele standaard iets bekend is over het verschil in resultaat van de behandelingen?
HOE IS HET (IN DIT GEVAL) GEGAAN?
Kunt u op basis van de beschrijving in het medisch dossier en uw bevindingen bij eventueel lichamelijk onderzoek, voor zover verricht, een beschrijving geven van de verschillende stadia van de geneeskundige behandeling?
Voor zover een handeling niet duidelijk is, wilt u dit dan aangeven onder opgave van redenen?
TOETS AAN DE PROFESSIONELE STANDAARD
U moet deze vraag zo feitelijk mogelijk beantwoorden. U hoeft niet aan te geven in hoeverre een eventuele afwijking aanvaardbaar, redelijk of verwijtbaar is.
Kunt u aangeven of naar uw oordeel [verweerster of verzoeker] heeft gehandeld volgens de op dat moment voor hem geldende professionele standaard?
Als er niet volgens de professionele standaard is gehandeld, kunt u dan aangeven in hoeverre dat niet is gebeurd en hoe er anders had moeten en kunnen worden gehandeld?
Indien er over het onderwerp van expertise medisch wetenschappelijk uiteenlopende opvattingen bestaan, kunt u dan in hoofdlijnen uiteenzetten in welk opzicht de meningen uiteenlopen?
Wilt u ook aangeven achter welke medische wetenschappelijke visie u staat?
Kunt u aangeven of een deskundige met een andere opvatting in dit geval tot een andere conclusie was gekomen dan waartoe u komt?
Als inderdaad een deskundige met een andere opvatting in dit geval tot een ander oordeel was gekomen: kunt u aangeven wat die conclusie zou zijn geweest?
dicht
Voetnoten
Rechtbank Midden-Nederland 26 mei 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2823.
Rechtbank Amsterdam 3 augustus 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:4909.
Zie de hiervoor besproken uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland 26 mei 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2823.
Rechtbank Amsterdam 1 februari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:442.
Rechtbank Noord-Holland, 3 maart 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:2009.
Rechtbank Gelderland,17 juli 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4139.
Zie de hiervoor besproken beschikking van de rechtbank Noord-Holland, 3 maart 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:2009.
Rechtbank Amsterdam 12 oktober 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:6646.
Rechtbank Noord-Holland 9 november 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:14097.
Waarmee waarschijnlijk de hiervoor beschreven uitspraken, maar in ieder geval de hiervoor besproken uitspraak van de zelfde rechtbank d.d. 3 maart 2023 (ECLI:NL:RBNHO:2023:2009) zal worden bedoeld.
Rechtbank Rotterdam 20 maart 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:2138.
Rechtbank Amsterdam 21 maart 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3322.
Hof Arnhem-Leeuwarden 21 mei 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3458.
Rechtbank Amsterdam 4 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4879.
Rechtbank Amsterdam 21 maart 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3322.
Zie voor een vergelijkbare overweging de hiervoor besproken beschikking van de rechtbank Noord-Holland, 3 maart 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:2009.
www.letselschademagazine.nl/2024/RBDHA-271124.
Rechtbank Oost-Brabant, 3 december 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:6651.
Een vergelijkbare overweging deed het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in de hiervoor besproken uitspraak van 21 mei 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3458.
Rechtbank Amsterdam, 16 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:376.
Zie de hiervoor besproken beschikking van de Rechtbank Amsterdam 4 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4879.
Rechtbank Limburg 18 december 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:1997 .
Rechtbank Amsterdam 24 augustus 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5506.
Zie bijvoorbeeld rechtbank Oost-Brabant 9 april 2024, ECLI:NL:HR:RBOBR:2024:1569, Rechtbank Gelderland 22 maart 2024. ECLI:NL:RBGEL:2024:1597, Rechtbank Amsterdam 7 december 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7713.
Rechtbank Amsterdam 4 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4879 en Rechtbank Amsterdam, 16 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:376.
Rechtbank Oost-Brabant 9 april 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:963.
Een projectgroep medische deskundigen in de rechtspleging heeft samen met de Interdisciplinaire Werkgroep Medische Deskundigen (IWMD) een model ontwikkeld voor de vraagstelling bij medische expertises over het causaal verband bij ongevallen. Zie bijvoorbeeld: A.J. Akkermans, ‘Verbeterde vraagstelling voor medische expertises. Een inventarisatie van knelpunten, verbeteringen, en mogelijke verdere aan pak’, TVP 2005, p. 69¬-80.
A.J. Akkermans, L.G.J. Hendrix & A.J. Van, ‘De vraagstelling voor expertises in medische aansprakelijkheidszaken’, TVP 2009/3, p.90-99.
Zie de hiervoor besproken beschikking van de rechtbank Noord-Holland, 3 maart 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:2009.
Rechtbank Oost-Brabant 9 april 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2139.
Zie bijvoorbeeld Rechtbank Noord-Holland, 3 maart 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:2009 en rechtbank Amsterdam 4 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4879.
door Lenore Beij, Marlous van Gool en Anika Mulder | advocaten bij Medirisk
Kennisdeling
Anika Mulder
| advocaat bij Medirisk
Hoe ziet de “hoe hoort het te gaan en hoe is het gegaan”
-vraagstelling eruit?
De hiervoor beschreven uitspraken laten verschillende varianten van de “hoe hoort het te gaan en hoe is het gegaan”-vraagstelling zien. De inleiding die in vrijwel alle uitspraken wordt gebruikt luidt:
“Uw onderzoek(s-rapport) heeft als doel dat de rechter/jurist over het handelen van de betrokken arts kan oordelen; is er juist gehandeld door de arts? Het handelen van de betrokken arts moet de rechter toetsen aan een norm die geduid wordt als de norm van het goed hulpverlenerschap. Die norm vereist kennis van de medisch professionele standaard en de manier waarop de betrokken arts de geneeskundige behandeling heeft verricht. Om die toets te kunnen doen, is het noodzakelijk dat de rechter door u als medische deskundige wordt voorgelicht, om zo voorzien te worden van feitelijke informatie over de medische praktijk en het handelen van de betrokken arts. U wordt als medisch deskundige niet gevraagd om te oordelen over de aansprakelijkheid. Bij uw beoordeling moet u dan ook uit gaan van objectieve maatstaven. Leeftijd, rang en ervaring van de arts zijn voor de toets niet van belang. In dit kader worden u onderstaande vragen gesteld. Het zal niet mogelijk zijn om alle vragen met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te geven. Wel wordt gevraagd of u, vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied, de geformuleerde vragen wilt beantwoorden, naar de stand van de wetenschap op het moment waarop de geneeskundige behandeling plaats had, uw antwoorden te motiveren en zo mogelijk te verwijzen naar relevante literatuur. Het begrip ‘medisch professionele standaard’ moet u steeds opvatten als het geheel van regels en normen waaraan de hulpverlener is gehouden, die blijken uit de opleiding(s-eisen) voor medici, inzichten en ervaring uit de geneeskundige praktijk, wetenschappelijke literatuur, protocollen en gedragsregels.”
Die inleiding wordt meestal in ieder geval gevolgd door (ongeveer) de volgende vragen:
Beschikt u over voldoende gegevens om deze casus te beoordelen? Zo nee, wilt u aangeven welk aanvullend onderzoek u heeft verricht en/of welke gegevens u heeft opgevraagd?
HOE HOORT HET (IN HET ALGEMEEN) TE GAAN?
Kunt u voor de verschillende stadia van de geneeskundige behandeling, zoals verricht bij [verweerster of verzoeker], aangeven waaruit deze moet bestaan volgens de binnen de beroepsgroep bestaande professionele standaard?
Wilt u daarbij zoveel mogelijk verwijzen naar richtlijnen, protocollen en literatuur, en de (digitale) vindplaats daarvan vermelden?
Kunt u bij de verschillende stadia van de geneeskundige behandeling aangeven of met de bepaalde handelwijze beoogd wordt een specifiek omschreven medisch doel te bereiken?
Zo ja, welk doel?
Zijn er meerdere mogelijkheden van behandeling?
Zo ja, voor welke mogelijke behandeling is in dit geval gekozen?
Kunt u aangeven of er binnen de beroepsgroep bestaande medisch professionele standaard iets bekend is over het verschil in resultaat van de behandelingen?
HOE IS HET (IN DIT GEVAL) GEGAAN?
Kunt u op basis van de beschrijving in het medisch dossier en uw bevindingen bij eventueel lichamelijk onderzoek, voor zover verricht, een beschrijving geven van de verschillende stadia van de geneeskundige behandeling?
Voor zover een handeling niet duidelijk is, wilt u dit dan aangeven onder opgave van redenen?
TOETS AAN DE PROFESSIONELE STANDAARD
U moet deze vraag zo feitelijk mogelijk beantwoorden. U hoeft niet aan te geven in hoeverre een eventuele afwijking aanvaardbaar, redelijk of verwijtbaar is.
Kunt u aangeven of naar uw oordeel [verweerster of verzoeker] heeft gehandeld volgens de op dat moment voor hem geldende professionele standaard?
Als er niet volgens de professionele standaard is gehandeld, kunt u dan aangeven in hoeverre dat niet is gebeurd en hoe er anders had moeten en kunnen worden gehandeld?
Indien er over het onderwerp van expertise medisch wetenschappelijk uiteenlopende opvattingen bestaan, kunt u dan in hoofdlijnen uiteenzetten in welk opzicht de meningen uiteenlopen?
Wilt u ook aangeven achter welke medische wetenschappelijke visie u staat?
Kunt u aangeven of een deskundige met een andere opvatting in dit geval tot een andere conclusie was gekomen dan waartoe u komt?
Als inderdaad een deskundige met een andere opvatting in dit geval tot een ander oordeel was gekomen: kunt u aangeven wat die conclusie zou zijn geweest?
Marlous van Gool
| advocaat bij Medirisk
Lenore Beij
| advocaat bij Medirisk
In de meeste gevallen wordt de vraagstelling in feite opgelegd door de rechtbank, al dan niet met aanvullingen van partijen. Uitspraken waarin de vraagstelling niet wordt voorgesteld zijn zeldzamer geworden.
terug
Is het wenselijk en gepast dat een rechtbank ondanks concrete door een verzoekende partij voorgestelde vragen met als doel het in kaart brengen van zijn procespositie bepaalt met welke vraagstelling dat gebeurt?
dicht
Rechtbank Midden-Nederland 26 mei 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2823.
Rechtbank Amsterdam 3 augustus 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:4909.
Zie de hiervoor besproken uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland 26 mei 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2823.
Rechtbank Amsterdam 1 februari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:442.
Rechtbank Noord-Holland, 3 maart 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:2009.
Rechtbank Gelderland,17 juli 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4139.
Zie de hiervoor besproken beschikking van de rechtbank Noord-Holland, 3 maart 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:2009.
Rechtbank Amsterdam 12 oktober 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:6646.
Rechtbank Noord-Holland 9 november 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:14097.
Waarmee waarschijnlijk de hiervoor beschreven uitspraken, maar in ieder geval de hiervoor besproken uitspraak van de zelfde rechtbank d.d. 3 maart 2023 (ECLI:NL:RBNHO:2023:2009) zal worden bedoeld.
Rechtbank Rotterdam 20 maart 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:2138.
Rechtbank Amsterdam 21 maart 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3322.
Hof Arnhem-Leeuwarden 21 mei 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3458.
Rechtbank Amsterdam 4 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4879.
Rechtbank Amsterdam 21 maart 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3322.
Zie voor een vergelijkbare overweging de hiervoor besproken beschikking van de rechtbank Noord-Holland, 3 maart 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:2009.
www.letselschademagazine.nl/2024/RBDHA-271124.
Rechtbank Oost-Brabant, 3 december 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:6651.
Een vergelijkbare overweging deed het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in de hiervoor besproken uitspraak van 21 mei 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3458.
Rechtbank Amsterdam, 16 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:376.
Zie de hiervoor besproken beschikking van de Rechtbank Amsterdam 4 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4879.
Rechtbank Limburg 18 december 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:1997 .
Rechtbank Amsterdam 24 augustus 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5506.
Zie bijvoorbeeld rechtbank Oost-Brabant 9 april 2024, ECLI:NL:HR:RBOBR:2024:1569, Rechtbank Gelderland 22 maart 2024. ECLI:NL:RBGEL:2024:1597, Rechtbank Amsterdam 7 december 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7713.
Rechtbank Amsterdam 4 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4879 en Rechtbank Amsterdam, 16 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:376.
Rechtbank Oost-Brabant 9 april 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:963.
Een projectgroep medische deskundigen in de rechtspleging heeft samen met de Interdisciplinaire Werkgroep Medische Deskundigen (IWMD) een model ontwikkeld voor de vraagstelling bij medische expertises over het causaal verband bij ongevallen. Zie bijvoorbeeld: A.J. Akkermans, ‘Verbeterde vraagstelling voor medische expertises. Een inventarisatie van knelpunten, verbeteringen, en mogelijke verdere aan pak’, TVP 2005, p. 69¬-80.
A.J. Akkermans, L.G.J. Hendrix & A.J. Van, ‘De vraagstelling voor expertises in medische aansprakelijkheidszaken’, TVP 2009/3, p.90-99.
Zie de hiervoor besproken beschikking van de rechtbank Noord-Holland, 3 maart 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:2009.
Rechtbank Oost-Brabant 9 april 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2139.
Zie bijvoorbeeld Rechtbank Noord-Holland, 3 maart 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:2009 en rechtbank Amsterdam 4 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4879.
Voetnoten