door Petra klein Gunnewiek en Lisan Homan | beiden advocaat bij Van Benthem & Keulen B.V.
(Met dank aan Joris Leferink, juridisch medewerker bij Van Benthem & Keulen)
lees meer
De actualiteiten in de
rechtspraak en de praktijk
Jurisprudentie
Lisan Homan
| advocaat bij
Van Benthem & Keulen B.V.
Petra klein Gunnewiek
| advocaat bij
Van Benthem & Keulen B.V.
Hoewel er met het nieuwe bewijsrecht geen fundamenteel andere koers wordt gevaren, menen wij dat de wetgeving in de praktijk meer ruimte kan bieden voor het opvragen van medische informatie. Het toetsingskader daarin is namelijk verschoven van het ietwat terughoudender "ja, mits" naar "ja, tenzij." Daarnaast is er een nieuwe IWMD-vraagstelling ontwikkeld, die in feite eveneens meer efficiëntie beoogd, maar dan door te streven naar rapportages
die duidelijker, beter onderbouwd en transparanter zijn.
Onder het nieuwe recht is in principe geen hoger beroep meer mogelijk, tenzij de rechter anders beslist (art. 200 lid 2 Rv). Als de rechter anders beslist, is het van belang te weten dat de termijn voor het instellen van een hoger beroep zeer beperkt is, slechts vier weken in plaats van drie maanden onder het oude recht.
terug
Kennisdeling
Dit artikel vormt het slotstuk van ons drieluik. Zowel in 2019 als in 2023 zorgden wij voor een overzichtsartikel over het voorlopig deskundigenbericht. En nu is het wederom tijd voor een update. Niet alleen omdat we inmiddels een jaar onderweg zijn in het nieuwe bewijsrecht, maar ook is er per 1 november 2025 een nieuwe versie van de IWMD-vraagstelling uitgebracht en is er interessante actuele jurisprudentie te bespreken. We trappen af met het juridisch kader.
Het nieuwe bewijsrecht
Op 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht (Wvmb) in werking getreden. Het voornaamste doel van deze wet is het bevorderen van een efficiënter verloop van civiele procedures met de nadruk op het vergaren van bewijs en informatie-uitwisseling voorafgaand aan de procedure. Middels een verzoekschrift kunnen één of meerdere voorlopige bewijsverrichtingen worden verzocht. Voor alle voorlopige bewijsverrichtingen (waaronder het voorlopig deskundigenbericht) gelden voortaan uniforme toetsingscriteria neergelegd in art. 196 Rv.
Op grond van art. 196 Rv zal een rechter een voorlopige bewijsverrichting toewijzen, behalve als hij van oordeel is dat: i) de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is, ii) er onvoldoende belang is, iii) het verzoek in strijd is met de goede procesorde, iv) er sprake is van misbruik van bevoegdheid of v) er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
Voor het voorlopig deskundigenbericht - neergelegd in art. 202 Rv - verandert er niets met deze formulering, maar voor een andere voorlopige bewijsverrichting, te weten het exhibitieverzoek ofwel het recht op inzage - onder het oude recht opgenomen in art. 843a Rv - wel. We vinden dit verzoek nu terug in art. 194 en 195 Rv. Onder het oude recht werd een dergelijk verzoek toegewezen onder de noemer "ja, mits" en onder het nieuwe bewijsrecht is dat nu "ja, tenzij". Dit is een subtiel, maar interessant verschil, naast het feit dat geen sprake meer hoeft te zijn van een rechtmatig belang, maar van voldoende belang.
Naar onze mening zou deze wijziging behulpzaam kunnen zijn in een procedure tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht. In die procedure komt het immers met regelmaat voor dat partijen discussiëren over de vraag welke informatie beschikbaar moet worden gesteld aan de te benoemen deskundige. In dat kader zou een partij ervoor kunnen kiezen om naast het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht via een (tegen)verzoek de nog benodigde informatie ten behoeve van het deskundigenbericht te verkrijgen. Bij het bespreken van de jurisprudentie zullen we ook zien dat dit instrument daarvoor ook al wordt ingezet.
Een andere belangrijke wijziging ziet op de rechtsmiddelen. Onder het oude recht had de partij die zijn verzoek om een voorlopig deskundigenbericht afgewezen zag de mogelijkheid om tegen deze afwijzing hoger beroep in te stellen. Onder het nieuwe recht is in principe geen hoger beroep meer mogelijk, tenzij de rechter anders beslist (art. 200 lid 2 Rv). Als de rechter anders beslist, is het van belang te weten dat de termijn voor het instellen van een hoger beroep zeer beperkt is, slechts vier weken in plaats van drie maanden onder het oude recht.
Tot slot wijzen wij op art. 186 lid 5 en art. 192 lid 5 Rv. Deze nieuwe artikelen zijn opgenomen om een opeenstapeling van deskundigenberichten met alle vertraging en kosten van dien te voorkomen. Art. 186 lid 5 Rv bepaalt dat de rechter - bij onduidelijkheden - in eerste instantie aan de benoemde deskundige een nadere toelichting of aanvulling moet vragen en als dit vervolgens nog steeds onvoldoende duidelijkheid verschaft kan de rechter overgaan tot benoeming van een nieuwe deskundige. Enige uitzondering op deze rechtsregel is de situatie waarin de rechter vooraf van oordeel is dat het vragen van een nadere toelichting aan de oorspronkelijke deskundige geen zin heeft. Art. 192 lid 5 Rv bepaalt dat deze regeling eveneens van toepassing is op deskundigen die niet door de rechter zijn benoemd, zoals partijdeskundigen of deskundigen die op gezamenlijk verzoek van partijen zijn ingeschakeld.
Met de invoering van het nieuwe bewijsrecht wordt geen fundamenteel andere koers gevaren, maar is veeleer sprake van een herijking van de wijze waarop de waarheidsvinding moet worden vormgegeven. De wetgever benadrukt het belang van een tijdige vaststelling van de waarheid, om te voorkomen dat een procedure onnodig wordt vertraagd door onzekerheid over de feiten. In dat licht wordt van partijen verwacht dat zij zoveel mogelijk bewijs verzamelen voordat een bodemprocedure aanhangig wordt gemaakt.
De IWMD-vraagstelling
Zoals gezegd is de nieuwe versie van de IWMD-vraagstelling op 1 november 2025 in werking getreden. Deze versie is het resultaat van een jarenlang herzieningsproces. De bevindingen en opties voor aanpassingen werden in 2022 gepubliceerd in TVP, waarna de sector werd uitgenodigd om te reageren. Er kwamen reactie uit de diverse gelederen, die door de werkgroep zijn verwerkt en wat uiteindelijk heeft geleid tot deze nieuwe versie, die de versie uit 2015 vervangt.
De doorgevoerde wijzigingen hebben tot doel om medische rapportages duidelijker, beter onderbouwd en transparanter te maken. De nieuwe versie sluit bovendien meer aan bij de NVMSR Richtlijn en is naar verwachting van de werkgroep beter afgestemd op de wensen en behoeften van zowel medici als juristen werkend binnen het medisch traject bij letselschadezaken. De nieuwe vraagstelling is in de praktijk wisselend ontvangen, waarbij uiteraard vooral de reactie van de ASP in het oog springt. De ASP heeft bezwaren tegen zowel de inhoud als de totstandkoming van de nieuwe versie en adviseert haar leden dan ook om voorlopig nog niet in te stemmen met de nieuwe vraagstelling.
Wij zullen niet alle wijzigingen bespreken in dit artikel, maar wel de meest in het oog springende. Zo is allereerst de algemene toelichting gewijzigd. Daarbij valt vooral op dat er nu expliciet op wordt gewezen dat pre-existente en predisponerende factoren in beeld gebracht moeten worden en worden gewogen. Verder valt op dat, zij het in een voetnoot, er nadrukkelijk voor gekozen is om de criteria uit 'Zwolse- De Greef' niet op te nemen, onder de opmerking dat deze niet medisch van aard zijn. Een andere relevante wijziging is dat de deskundige niet langer kan volstaan met een antwoord als 'n.v.t.' Wanneer een vraag niet te beantwoorden is, dan moet de deskundige gemotiveerd aangegeven waarom dat zo is.
Bij de vragen naar de situatie met ongeval, valt allereerst op dat bij de anamnese niet meer wordt gevraagd naar 'beperkingen' maar naar het meer subjectieve 'belemmeringen'. Een logische en begrijpelijke aanpassing, nu het bij de beantwoording van deze vraag immers om de anamnese gaat. Verder valt op dat er bij de aanbeveling van de vraag naar de beschrijving van de medische gegevens wordt aangegeven dat de informatie op zakelijke en zo getrouw mogelijke wijze moet worden weergegeven. Waarbij zelfs wordt opgemerkt dat brieven uit de behandelend sector bij voorkeur letterlijk moeten worden geciteerd. Dit verschilt wezenlijk van de voorheen verzochte 'samenvatting'. Deze manier van rapporteren komt de leesbaarheid ten goede en maakt het voor de lezer die niet de beschikking over de onderliggende medische informatie heeft, ook eenvoudiger om bepaalde conclusies van de deskundige te kunnen volgen of zelfs te herleiden.
In dezelfde aanbeveling wordt de deskundige erop gewezen dat, indien er onvoldoende medische broninformatie beschikbaar is (zowel op, maar ook buiten het eigen vakgebied), die informatie kan worden opgevraagd. Deze mogelijkheid zelf is uiteraard niet nieuw en deskundigen werden er vaak direct (in de beschikking) of indirect (via de leidraad deskundigen in civiele zaken) ook wel op gewezen, maar niet eerder stond het zo expliciet in de vraagstelling zelf.
Tenslotte valt bij de vragen naar de situatie met ongeval op dat het confronteren van de onderzochte met eventuele inconsistenties, nu een expliciet vereiste is. Hoewel dit onzes inziens onder de oude vraagstelling ook gezien kon worden als een vereiste, liet de oude aanbeveling wel wat ruimte. Daarin stond namelijk dat uit het rapport diende te blijken dat iemand was geconfronteerd en wat diens reactie was.
Dan wat betreft de vragen naar de situatie zonder ongeval. Een van de meest opvallende, en in onze ogen zeer nuttige, wijziging in de aanbeveling bij vraag 2, is het feit dat de deskundige er op wordt gewezen dat op hem de verplichting rust om de voorgeschiedenis expliciet te onderzoeken en waar nodig hiervoor de benodigde informatie op te vragen. De vraag naar de beschikbaarheid van de medische voorgeschiedenis leidt niet zelden tot discussie tussen benadeelde en de aansprakelijke partij (of althans hun vertegenwoordigers). Bereidheid om informatie van vóór een ongeval aan te leveren is niet altijd aanwezig, terwijl die informatie uiteraard relevant en zelfs noodzakelijk is om daadwerkelijk in kaart te kunnen brengen wat de gevolgen van een ongeval zijn. Ook onder de oude IWMD-vraagstelling werd naar een beschrijving van de voorgeschiedenis gevraagd, maar de verplichting om daar expliciet op in te gaan en om anders zelf de informatie op te vragen, is nieuw.
In dezelfde aanbeveling wordt de deskundige nu ook nadrukkelijk gewezen op het te maken onderscheid tussen de situaties voor en zonder ongeval. Dat onderscheid bestond ook al onder de vorige vraagstelling, maar in de praktijk werden de vragen niet altijd op de juiste wijze beantwoord.
In de volgende aanbeveling wordt een uitleg gegeven over de causaliteitsvraag en dat deze door de deskundige uitsluitend vanuit de medische gedachte moet worden beantwoord. Beoordeling van het juridisch causaal verband wordt expliciet voorbehouden aan partijen en uiteindelijk de rechter. Dit is onzes inziens een nuttige toevoeging, nu het in de praktijk wel eens voorkwam dat de deskundige zelf termen uit de rechtspraak over juridische causaliteit bezigde.
Bij de vraag naar de situatie voor het ongeval, wordt nu ook gevraagd naar klachten die voor ongeval wel bestonden, maar nu niet meer. Onder de oude vraagstelling werd uitsluitend gevraagd naar klachten en afwijkingen die tijdens het onderzoek nog steeds bestaan. De vraagstelling is in die zin ruimer geworden. Tenslotte, een laatste zeer wezenlijke wijziging, wordt de deskundige in de vraag naar de situatie zonder ongeval, gevraagd om de algemene gezondheidstoestand van de onderzochte mee te wegen. Ook dit is een verruiming ten opzichte van de oude vraagstelling.
Over het geheel genomen, menen wij dat beantwoording van deze nieuwe vraagstelling tot een completer beeld van de gezondheidssituatie van de benadeelde kan leiden en partijen dus (nog) beter in staat stelt om een vergelijking te maken tussen de situatie met ongeval en de hypothetische situatie zonder ongeval, en dus ook om de schade te begroten. Wat dat betreft past de nieuwe vraagstelling ook goed bij het nieuwe bewijsrecht, waarbij de nadruk wordt gelegd op tijdige vaststelling van de waarheid en het zoveel mogelijk bewijs verzamelen voordat een bodemprocedure aanhangig wordt gemaakt.
Jurisprudentie
We beperken ons in dit artikel tot een aantal interessante beschikkingen uit 2025. Allereerst een aantal zaken waarin de vraagstelling voor de deskundige en het inzage verzoek centraal staan en vervolgens een aantal afwijzende beschikkingen, waarbij dus wordt afgeweken van de hoofdregel, dat een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht in beginsel wordt toegewezen.
Een eerste te bespreken zaak is die van 18 december 2025 van de Rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2025:14987). Het ging om een verzoek van een gedupeerde van de toeslagenaffaire voor de benoeming van een psychiater. De rechtbank overwoog dat in afwijking van het verzoek de nieuwste versie van de IWMD-vraagstelling aan de deskundige ter beantwoording moest worden voorgelegd. Volgens de rechter had de door verzoeker voorgestelde vraagstelling minder aandacht voor de medische voorgeschiedenis en bevatte die vraagstelling een concrete vraag naar causaal verband, hetgeen een juridische toets leek te veronderstellen.
Zoals hiervoor aangegeven, denken wij dat het nieuwe bewijsrecht én ook de nieuwe IWMD-vraagstelling ruimere mogelijkheden biedt voor het opvragen van ontbrekende, maar benodigde medische informatie binnen de procedure van de voorlopige bewijsverrichtingen. De Rechtbank Gelderland lijkt dat, overigens in een beoordeling onder het oude recht, niet met ons eens. In haar beschikking van 7 juli 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:6047) overwoog zij dat ze geen aanleiding zag om aan te nemen dat de wetgever had beoogd om met het nieuwe bewijsrecht verandering te brengen in lijn uit de patiëntenkaart-arresten en uiteindelijk werd het verzoek van de verzekeraar om meer medische informatie dan ook afgewezen. De rechtbank Noord-Holland en Midden-Nederland daarentegen lijken deze ruimte wel degelijk ook te zien.
In de zaak bij de Rechtbank Noord-Holland van 21 november 2025 (ECLI:NL:RBNHO:2025:13871) ging het om een verzoek voor benoeming van deskundigen en om een tegenverzoek voor het verstrekken van medische informatie uit de voorgeschiedenis. De rechtbank heeft in het kader van het tegenverzoek een belangenafweging gemaakt en daarbij gerefereerd aan de proportionaliteitscriteria uit de medische paragraaf bij de Gedragscode Behandeling Letselschade (GBL). Het gaat dan specifiek om de looptijd van de schade, de omvang van de vordering, de aard en complexiteit van het letsel, de klachten en het klachtenverloop, de relevante voorgeschiedenis en de opstelling van de benadeelde. De conclusie is dat de medische voorgeschiedenis beschikbaar moet komen en dat het tegenverzoek dus wordt ingewilligd.
Ook in de beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland van 23 juli 2025 (ECLI:NL:RBMNE:2025:3577) werd een tegenverzoek ingediend tot het verkrijgen van medische informatie. De rechtbank beoordeelde dit verzoek in de zin van art. 194 en 195 Rv inhoudelijk, maar komt wel tot een afwijzing. De reden daarvoor was, ten aanzien van de medische informatie, gelegen in de omstandigheid dat werd aangenomen dat bepaalde informatie niet bestond of niet met succes opgevraagd kon worden. Ook voldeed het verzoek niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
In de besproken rechtspraak ten aanzien van het inzageverzoek zien we de rechtbank alsnog een belangenafweging maken terwijl je zou kunnen twisten over het antwoord op de vraag of dat de juiste toetsingsbenadering is. Immers het gaat niet meer om een rechtmatig belang, maar om een voldoende belang. De rechtbank Rotterdam benoemde dat in uitspraak van 21 november 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:14955) – overigens geen letselschadezaak - heel uitdrukkelijk. Deze rechtbank overwoog dat als een partij aannemelijk heeft gemaakt dat zij belang heeft bij het verkrijgen van inzage van bepaalde gegevens, die inzage moet worden verstrekt.
Wij vervolgen met een aantal beschikkingen uit 2025 waarin het verzoek werd afgewezen op één van de afwijzingsgronden. Allereerst de beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland van 30 juli 2025 (ECLI:NL:RBMNE:2025:4186). Het verzoek was in strijd met de goede procesorde vanwege een eerdere blokkering van een conceptrapport. In de procedure werd verzocht om benoeming van een nieuwe deskundige. Het medisch blokkeringsrecht, dat bedoeld is voor privacy redenen, werd ingezet om inhoudelijke bezwaren tegen het rapport en de totstandkoming daarvan te uiten. De rechtbank meende dat daarmee het buitengerechtelijke deskundigentraject op onjuiste wijze werd doorkruist. In plaats van zich op haar blokkeringsrecht te beroepen, omdat zij zich niet kon vinden in de bevindingen van de deskundige, had het op de weg van verzoekster gelegen om opmerkingen te maken en/of aanvullende vragen te stellen naar aanleiding van het conceptrapport, om de deskundige zo in staat te stellen daar inhoudelijk op te reageren. Als verzoekster bezwaren zou blijven houden tegen het definitieve deskundigenbericht, had het op haar weg gelegen om de vraag of de bevindingen van de deskundige in het definitieve rapport al dan niet moesten worden gevolgd, voor te leggen aan de bodemrechter (of eventueel de rechter in deelgeschil).
In een tweetal uitspraken van de Rechtbank Gelderland werd het verzoek om een deskundige te benoemen afgewezen, omdat sprake was van onvoldoende belang bij de toewijzing van het verzoek. In de beschikking van 19 maart 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:2532) werd overwogen dat een deskundigenbericht partijen onvoldoende kon opleveren gelet op de discussie over het (juridische) causaal verband die nog niet was beslecht, ook niet na de reeds opgeleverde onderzoeksrapporten van een neuroloog en psychiater. Het verzoek voor benoeming van een verzekeringsarts werd dan ook afgewezen. Ook in de beschikking van 12 februari 2025 (ECLI:NL:RBGEL:1321) ging het om een verzoek tot benoeming van een verzekeringsarts, die werd afgewezen vanwege onvoldoende belang. Hier ging het echter om een onderzoek in het kader van een arbeidsongeschiktheidsverzekering. De rechtbank oordeelde dat niet was voldaan aan de cruciale polisvoorwaarde ten aanzien van het bestaan van een medisch objectiveerbare stoornis, zodat er geen aanspraak kon worden gemaakt op een uitkering.
Ook de Rechtbank Rotterdam wees een verzoek tot benoeming van een deskundige, in dit geval een verkeersongevallenanalist af vanwege een gebrek aan belang. Het gaat om de beschikking van 24 januari 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:1113) waarin de rechtbank overwoog dat het gevraagde onderzoek geen feiten betrof die daarmee bewezen kon worden. Er was door de politie al uitgebreid onderzoek gedaan en de cruciale logfiles van de verkeerslichtinstallatie waren niet meer beschikbaar. Bovendien is de beoordeling van vermeende tegenstrijdigheden tussen een nieuwe geluidsopname en eerdere getuigenverklaringen een juridische taak die is voorbehouden aan de rechter.
Een laatste opvallende uitspraak, willen we niet achterwege laten. Er was door de Rechtbank Oost-Brabant een neurologisch onderzoek gelast. In totaal werden door de rechtbank 10 neurologen benaderd, maar niemand was bereid om de opdracht te accepteren, vanwege 'afbreukrisico'. De procedure werd vervolgens door de rechtbank beëindigd vanwege onuitvoerbaarheid. De beschikking dateert van 17 februari 2025 (ECLI:NL:RBOBR:2025:963).
Afsluiting
Er zijn diverse ontwikkelingen gaande die relevant zijn voor het voorlopig deskundigenbericht. Zo is er het nieuwe bewijsrecht, waarmee een efficiënter verloop van civiele procedures wordt beoogd, met de nadruk op het vergaren van bewijs en informatie-uitwisseling voorafgaand aan de procedure. Hoewel er met het nieuwe bewijsrecht geen fundamenteel andere koers wordt gevaren, menen wij dat de wetgeving in de praktijk meer ruimte kan bieden voor het opvragen van medische informatie. Het toetsingskader daarin is namelijk verschoven van het ietwat terughoudender "ja, mits" naar "ja, tenzij." Daarnaast is er een nieuwe IWMD-vraagstelling ontwikkeld, die in feite eveneens meer efficiëntie beoogd, maar dan door te streven naar rapportages die duidelijker, beter onderbouwd en transparanter zijn. Daarbij is ook duidelijk aandacht voor de algehele gezondheidssituatie van de benadeelde, zowel voor ongeval als in de hypothetische situatie na en zonder ongeval. De mogelijkheden van het nieuwe bewijsrecht en de nieuwe versie van de IWMD-vraagstelling zullen zich in de nabije toekomst in de rechtspraak verder uitkristalliseren. Wij blijven onderschrijven hoe belangrijk het is dat partijen een deskundigenbericht verkrijgen dat hen verder gaat helpen en duidelijkheid geeft over aansprakelijkheid en/of causaliteit. In dat kader is van belang dat alle benodigde informatie beschikbaar komt voor de deskundige, want alleen dan zal het onderzoek - waaraan beide partijen in beginsel gebonden zijn - volledig zijn en alleen dan zal het doel van het nieuwe bewijsrecht, waaronder waarheidsvinding, worden bereikt.
door Petra klein Gunnewiek en Lisan Homan
| beiden advocaat bij Van Benthem & Keulen B.V.
(Met dank aan Joris Leferink, juridisch medewerker bij Van Benthem & Keulen)
De actualiteiten in de
rechtspraak en de praktijk
Jurisprudentie
terug
Onder het nieuwe recht is in principe geen hoger beroep meer mogelijk, tenzij de rechter anders beslist (art. 200 lid 2 Rv). Als de rechter anders beslist, is het van belang te weten dat de termijn voor het instellen van een hoger beroep zeer beperkt is, slechts vier weken in plaats van drie maanden onder het oude recht.
Lisan Homan
| advocaat bij
Van Benthem & Keulen B.V.
Petra klein Gunnewiek
| advocaat bij
Van Benthem & Keulen B.V.
Hoewel er met het nieuwe bewijsrecht geen fundamenteel andere koers wordt gevaren, menen wij dat de wetgeving in de praktijk meer ruimte kan bieden voor het opvragen van medische informatie. Het toetsingskader daarin is namelijk verschoven van het ietwat terughoudender "ja, mits" naar "ja, tenzij." Daarnaast is er een nieuwe IWMD-vraagstelling ontwikkeld, die in feite eveneens meer efficiëntie beoogd, maar dan door te streven naar rapportages
die duidelijker, beter onderbouwd en transparanter zijn.
Dit artikel vormt het slotstuk van ons drieluik. Zowel in 2019 als in 2023 zorgden wij voor een overzichtsartikel over het voorlopig deskundigenbericht. En nu is het wederom tijd voor een update. Niet alleen omdat we inmiddels een jaar onderweg zijn in het nieuwe bewijsrecht, maar ook is er per 1 november 2025 een nieuwe versie van de IWMD-vraagstelling uitgebracht en is er interessante actuele jurisprudentie te bespreken. We trappen af met het juridisch kader.
Het nieuwe bewijsrecht
Op 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht (Wvmb) in werking getreden. Het voornaamste doel van deze wet is het bevorderen van een efficiënter verloop van civiele procedures met de nadruk op het vergaren van bewijs en informatie-uitwisseling voorafgaand aan de procedure. Middels een verzoekschrift kunnen één of meerdere voorlopige bewijsverrichtingen worden verzocht. Voor alle voorlopige bewijsverrichtingen (waaronder het voorlopig deskundigenbericht) gelden voortaan uniforme toetsingscriteria neergelegd in art. 196 Rv.
Op grond van art. 196 Rv zal een rechter een voorlopige bewijsverrichting toewijzen, behalve als hij van oordeel is dat: i) de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is, ii) er onvoldoende belang is, iii) het verzoek in strijd is met de goede procesorde, iv) er sprake is van misbruik van bevoegdheid of v) er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
Voor het voorlopig deskundigenbericht - neergelegd in art. 202 Rv - verandert er niets met deze formulering, maar voor een andere voorlopige bewijsverrichting, te weten het exhibitieverzoek ofwel het recht op inzage - onder het oude recht opgenomen in art. 843a Rv - wel. We vinden dit verzoek nu terug in art. 194 en 195 Rv. Onder het oude recht werd een dergelijk verzoek toegewezen onder de noemer "ja, mits" en onder het nieuwe bewijsrecht is dat nu "ja, tenzij". Dit is een subtiel, maar interessant verschil, naast het feit dat geen sprake meer hoeft te zijn van een rechtmatig belang, maar van voldoende belang.
Naar onze mening zou deze wijziging behulpzaam kunnen zijn in een procedure tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht. In die procedure komt het immers met regelmaat voor dat partijen discussiëren over de vraag welke informatie beschikbaar moet worden gesteld aan de te benoemen deskundige. In dat kader zou een partij ervoor kunnen kiezen om naast het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht via een (tegen)verzoek de nog benodigde informatie ten behoeve van het deskundigenbericht te verkrijgen. Bij het bespreken van de jurisprudentie zullen we ook zien dat dit instrument daarvoor ook al wordt ingezet.
Een andere belangrijke wijziging ziet op de rechtsmiddelen. Onder het oude recht had de partij die zijn verzoek om een voorlopig deskundigenbericht afgewezen zag de mogelijkheid om tegen deze afwijzing hoger beroep in te stellen. Onder het nieuwe recht is in principe geen hoger beroep meer mogelijk, tenzij de rechter anders beslist (art. 200 lid 2 Rv). Als de rechter anders beslist, is het van belang te weten dat de termijn voor het instellen van een hoger beroep zeer beperkt is, slechts vier weken in plaats van drie maanden onder het oude recht.
Tot slot wijzen wij op art. 186 lid 5 en art. 192 lid 5 Rv. Deze nieuwe artikelen zijn opgenomen om een opeenstapeling van deskundigenberichten met alle vertraging en kosten van dien te voorkomen. Art. 186 lid 5 Rv bepaalt dat de rechter - bij onduidelijkheden - in eerste instantie aan de benoemde deskundige een nadere toelichting of aanvulling moet vragen en als dit vervolgens nog steeds onvoldoende duidelijkheid verschaft kan de rechter overgaan tot benoeming van een nieuwe deskundige. Enige uitzondering op deze rechtsregel is de situatie waarin de rechter vooraf van oordeel is dat het vragen van een nadere toelichting aan de oorspronkelijke deskundige geen zin heeft. Art. 192 lid 5 Rv bepaalt dat deze regeling eveneens van toepassing is op deskundigen die niet door de rechter zijn benoemd, zoals partijdeskundigen of deskundigen die op gezamenlijk verzoek van partijen zijn ingeschakeld.
Met de invoering van het nieuwe bewijsrecht wordt geen fundamenteel andere koers gevaren, maar is veeleer sprake van een herijking van de wijze waarop de waarheidsvinding moet worden vormgegeven. De wetgever benadrukt het belang van een tijdige vaststelling van de waarheid, om te voorkomen dat een procedure onnodig wordt vertraagd door onzekerheid over de feiten. In dat licht wordt van partijen verwacht dat zij zoveel mogelijk bewijs verzamelen voordat een bodemprocedure aanhangig wordt gemaakt.
De IWMD-vraagstelling
Zoals gezegd is de nieuwe versie van de IWMD-vraagstelling op 1 november 2025 in werking getreden. Deze versie is het resultaat van een jarenlang herzieningsproces. De bevindingen en opties voor aanpassingen werden in 2022 gepubliceerd in TVP, waarna de sector werd uitgenodigd om te reageren. Er kwamen reactie uit de diverse gelederen, die door de werkgroep zijn verwerkt en wat uiteindelijk heeft geleid tot deze nieuwe versie, die de versie uit 2015 vervangt.
De doorgevoerde wijzigingen hebben tot doel om medische rapportages duidelijker, beter onderbouwd en transparanter te maken. De nieuwe versie sluit bovendien meer aan bij de NVMSR Richtlijn en is naar verwachting van de werkgroep beter afgestemd op de wensen en behoeften van zowel medici als juristen werkend binnen het medisch traject bij letselschadezaken. De nieuwe vraagstelling is in de praktijk wisselend ontvangen, waarbij uiteraard vooral de reactie van de ASP in het oog springt. De ASP heeft bezwaren tegen zowel de inhoud als de totstandkoming van de nieuwe versie en adviseert haar leden dan ook om voorlopig nog niet in te stemmen met de nieuwe vraagstelling.
Wij zullen niet alle wijzigingen bespreken in dit artikel, maar wel de meest in het oog springende. Zo is allereerst de algemene toelichting gewijzigd. Daarbij valt vooral op dat er nu expliciet op wordt gewezen dat pre-existente en predisponerende factoren in beeld gebracht moeten worden en worden gewogen. Verder valt op dat, zij het in een voetnoot, er nadrukkelijk voor gekozen is om de criteria uit 'Zwolse- De Greef' niet op te nemen, onder de opmerking dat deze niet medisch van aard zijn. Een andere relevante wijziging is dat de deskundige niet langer kan volstaan met een antwoord als 'n.v.t.' Wanneer een vraag niet te beantwoorden is, dan moet de deskundige gemotiveerd aangegeven waarom dat zo is.
Bij de vragen naar de situatie met ongeval, valt allereerst op dat bij de anamnese niet meer wordt gevraagd naar 'beperkingen' maar naar het meer subjectieve 'belemmeringen'. Een logische en begrijpelijke aanpassing, nu het bij de beantwoording van deze vraag immers om de anamnese gaat. Verder valt op dat er bij de aanbeveling van de vraag naar de beschrijving van de medische gegevens wordt aangegeven dat de informatie op zakelijke en zo getrouw mogelijke wijze moet worden weergegeven. Waarbij zelfs wordt opgemerkt dat brieven uit de behandelend sector bij voorkeur letterlijk moeten worden geciteerd. Dit verschilt wezenlijk van de voorheen verzochte 'samenvatting'. Deze manier van rapporteren komt de leesbaarheid ten goede en maakt het voor de lezer die niet de beschikking over de onderliggende medische informatie heeft, ook eenvoudiger om bepaalde conclusies van de deskundige te kunnen volgen of zelfs te herleiden.
In dezelfde aanbeveling wordt de deskundige erop gewezen dat, indien er onvoldoende medische broninformatie beschikbaar is (zowel op, maar ook buiten het eigen vakgebied), die informatie kan worden opgevraagd. Deze mogelijkheid zelf is uiteraard niet nieuw en deskundigen werden er vaak direct (in de beschikking) of indirect (via de leidraad deskundigen in civiele zaken) ook wel op gewezen, maar niet eerder stond het zo expliciet in de vraagstelling zelf.
Tenslotte valt bij de vragen naar de situatie met ongeval op dat het confronteren van de onderzochte met eventuele inconsistenties, nu een expliciet vereiste is. Hoewel dit onzes inziens onder de oude vraagstelling ook gezien kon worden als een vereiste, liet de oude aanbeveling wel wat ruimte. Daarin stond namelijk dat uit het rapport diende te blijken dat iemand was geconfronteerd en wat diens reactie was.
Dan wat betreft de vragen naar de situatie zonder ongeval. Een van de meest opvallende, en in onze ogen zeer nuttige, wijziging in de aanbeveling bij vraag 2, is het feit dat de deskundige er op wordt gewezen dat op hem de verplichting rust om de voorgeschiedenis expliciet te onderzoeken en waar nodig hiervoor de benodigde informatie op te vragen. De vraag naar de beschikbaarheid van de medische voorgeschiedenis leidt niet zelden tot discussie tussen benadeelde en de aansprakelijke partij (of althans hun vertegenwoordigers). Bereidheid om informatie van vóór een ongeval aan te leveren is niet altijd aanwezig, terwijl die informatie uiteraard relevant en zelfs noodzakelijk is om daadwerkelijk in kaart te kunnen brengen wat de gevolgen van een ongeval zijn. Ook onder de oude IWMD-vraagstelling werd naar een beschrijving van de voorgeschiedenis gevraagd, maar de verplichting om daar expliciet op in te gaan en om anders zelf de informatie op te vragen, is nieuw.
In dezelfde aanbeveling wordt de deskundige nu ook nadrukkelijk gewezen op het te maken onderscheid tussen de situaties voor en zonder ongeval. Dat onderscheid bestond ook al onder de vorige vraagstelling, maar in de praktijk werden de vragen niet altijd op de juiste wijze beantwoord.
In de volgende aanbeveling wordt een uitleg gegeven over de causaliteitsvraag en dat deze door de deskundige uitsluitend vanuit de medische gedachte moet worden beantwoord. Beoordeling van het juridisch causaal verband wordt expliciet voorbehouden aan partijen en uiteindelijk de rechter. Dit is onzes inziens een nuttige toevoeging, nu het in de praktijk wel eens voorkwam dat de deskundige zelf termen uit de rechtspraak over juridische causaliteit bezigde.
Bij de vraag naar de situatie voor het ongeval, wordt nu ook gevraagd naar klachten die voor ongeval wel bestonden, maar nu niet meer. Onder de oude vraagstelling werd uitsluitend gevraagd naar klachten en afwijkingen die tijdens het onderzoek nog steeds bestaan. De vraagstelling is in die zin ruimer geworden. Tenslotte, een laatste zeer wezenlijke wijziging, wordt de deskundige in de vraag naar de situatie zonder ongeval, gevraagd om de algemene gezondheidstoestand van de onderzochte mee te wegen. Ook dit is een verruiming ten opzichte van de oude vraagstelling.
Over het geheel genomen, menen wij dat beantwoording van deze nieuwe vraagstelling tot een completer beeld van de gezondheidssituatie van de benadeelde kan leiden en partijen dus (nog) beter in staat stelt om een vergelijking te maken tussen de situatie met ongeval en de hypothetische situatie zonder ongeval, en dus ook om de schade te begroten. Wat dat betreft past de nieuwe vraagstelling ook goed bij het nieuwe bewijsrecht, waarbij de nadruk wordt gelegd op tijdige vaststelling van de waarheid en het zoveel mogelijk bewijs verzamelen voordat een bodemprocedure aanhangig wordt gemaakt.
Jurisprudentie
We beperken ons in dit artikel tot een aantal interessante beschikkingen uit 2025. Allereerst een aantal zaken waarin de vraagstelling voor de deskundige en het inzage verzoek centraal staan en vervolgens een aantal afwijzende beschikkingen, waarbij dus wordt afgeweken van de hoofdregel, dat een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht in beginsel wordt toegewezen.
Een eerste te bespreken zaak is die van 18 december 2025 van de Rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2025:14987). Het ging om een verzoek van een gedupeerde van de toeslagenaffaire voor de benoeming van een psychiater. De rechtbank overwoog dat in afwijking van het verzoek de nieuwste versie van de IWMD-vraagstelling aan de deskundige ter beantwoording moest worden voorgelegd. Volgens de rechter had de door verzoeker voorgestelde vraagstelling minder aandacht voor de medische voorgeschiedenis en bevatte die vraagstelling een concrete vraag naar causaal verband, hetgeen een juridische toets leek te veronderstellen.
Zoals hiervoor aangegeven, denken wij dat het nieuwe bewijsrecht én ook de nieuwe IWMD-vraagstelling ruimere mogelijkheden biedt voor het opvragen van ontbrekende, maar benodigde medische informatie binnen de procedure van de voorlopige bewijsverrichtingen. De Rechtbank Gelderland lijkt dat, overigens in een beoordeling onder het oude recht, niet met ons eens. In haar beschikking van 7 juli 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:6047) overwoog zij dat ze geen aanleiding zag om aan te nemen dat de wetgever had beoogd om met het nieuwe bewijsrecht verandering te brengen in lijn uit de patiëntenkaart-arresten en uiteindelijk werd het verzoek van de verzekeraar om meer medische informatie dan ook afgewezen. De rechtbank Noord-Holland en Midden-Nederland daarentegen lijken deze ruimte wel degelijk ook te zien.
In de zaak bij de Rechtbank Noord-Holland van 21 november 2025 (ECLI:NL:RBNHO:2025:13871) ging het om een verzoek voor benoeming van deskundigen en om een tegenverzoek voor het verstrekken van medische informatie uit de voorgeschiedenis. De rechtbank heeft in het kader van het tegenverzoek een belangenafweging gemaakt en daarbij gerefereerd aan de proportionaliteitscriteria uit de medische paragraaf bij de Gedragscode Behandeling Letselschade (GBL). Het gaat dan specifiek om de looptijd van de schade, de omvang van de vordering, de aard en complexiteit van het letsel, de klachten en het klachtenverloop, de relevante voorgeschiedenis en de opstelling van de benadeelde. De conclusie is dat de medische voorgeschiedenis beschikbaar moet komen en dat het tegenverzoek dus wordt ingewilligd.
Ook in de beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland van 23 juli 2025 (ECLI:NL:RBMNE:2025:3577) werd een tegenverzoek ingediend tot het verkrijgen van medische informatie. De rechtbank beoordeelde dit verzoek in de zin van art. 194 en 195 Rv inhoudelijk, maar komt wel tot een afwijzing. De reden daarvoor was, ten aanzien van de medische informatie, gelegen in de omstandigheid dat werd aangenomen dat bepaalde informatie niet bestond of niet met succes opgevraagd kon worden. Ook voldeed het verzoek niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
In de besproken rechtspraak ten aanzien van het inzageverzoek zien we de rechtbank alsnog een belangenafweging maken terwijl je zou kunnen twisten over het antwoord op de vraag of dat de juiste toetsingsbenadering is. Immers het gaat niet meer om een rechtmatig belang, maar om een voldoende belang. De rechtbank Rotterdam benoemde dat in uitspraak van 21 november 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:14955) – overigens geen letselschadezaak - heel uitdrukkelijk. Deze rechtbank overwoog dat als een partij aannemelijk heeft gemaakt dat zij belang heeft bij het verkrijgen van inzage van bepaalde gegevens, die inzage moet worden verstrekt.
Wij vervolgen met een aantal beschikkingen uit 2025 waarin het verzoek werd afgewezen op één van de afwijzingsgronden. Allereerst de beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland van 30 juli 2025 (ECLI:NL:RBMNE:2025:4186). Het verzoek was in strijd met de goede procesorde vanwege een eerdere blokkering van een conceptrapport. In de procedure werd verzocht om benoeming van een nieuwe deskundige. Het medisch blokkeringsrecht, dat bedoeld is voor privacy redenen, werd ingezet om inhoudelijke bezwaren tegen het rapport en de totstandkoming daarvan te uiten. De rechtbank meende dat daarmee het buitengerechtelijke deskundigentraject op onjuiste wijze werd doorkruist. In plaats van zich op haar blokkeringsrecht te beroepen, omdat zij zich niet kon vinden in de bevindingen van de deskundige, had het op de weg van verzoekster gelegen om opmerkingen te maken en/of aanvullende vragen te stellen naar aanleiding van het conceptrapport, om de deskundige zo in staat te stellen daar inhoudelijk op te reageren. Als verzoekster bezwaren zou blijven houden tegen het definitieve deskundigenbericht, had het op haar weg gelegen om de vraag of de bevindingen van de deskundige in het definitieve rapport al dan niet moesten worden gevolgd, voor te leggen aan de bodemrechter (of eventueel de rechter in deelgeschil).
In een tweetal uitspraken van de Rechtbank Gelderland werd het verzoek om een deskundige te benoemen afgewezen, omdat sprake was van onvoldoende belang bij de toewijzing van het verzoek. In de beschikking van 19 maart 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:2532) werd overwogen dat een deskundigenbericht partijen onvoldoende kon opleveren gelet op de discussie over het (juridische) causaal verband die nog niet was beslecht, ook niet na de reeds opgeleverde onderzoeksrapporten van een neuroloog en psychiater. Het verzoek voor benoeming van een verzekeringsarts werd dan ook afgewezen. Ook in de beschikking van 12 februari 2025 (ECLI:NL:RBGEL:1321) ging het om een verzoek tot benoeming van een verzekeringsarts, die werd afgewezen vanwege onvoldoende belang. Hier ging het echter om een onderzoek in het kader van een arbeidsongeschiktheidsverzekering. De rechtbank oordeelde dat niet was voldaan aan de cruciale polisvoorwaarde ten aanzien van het bestaan van een medisch objectiveerbare stoornis, zodat er geen aanspraak kon worden gemaakt op een uitkering.
Ook de Rechtbank Rotterdam wees een verzoek tot benoeming van een deskundige, in dit geval een verkeersongevallenanalist af vanwege een gebrek aan belang. Het gaat om de beschikking van 24 januari 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:1113) waarin de rechtbank overwoog dat het gevraagde onderzoek geen feiten betrof die daarmee bewezen kon worden. Er was door de politie al uitgebreid onderzoek gedaan en de cruciale logfiles van de verkeerslichtinstallatie waren niet meer beschikbaar. Bovendien is de beoordeling van vermeende tegenstrijdigheden tussen een nieuwe geluidsopname en eerdere getuigenverklaringen een juridische taak die is voorbehouden aan de rechter.
Een laatste opvallende uitspraak, willen we niet achterwege laten. Er was door de Rechtbank Oost-Brabant een neurologisch onderzoek gelast. In totaal werden door de rechtbank 10 neurologen benaderd, maar niemand was bereid om de opdracht te accepteren, vanwege 'afbreukrisico'. De procedure werd vervolgens door de rechtbank beëindigd vanwege onuitvoerbaarheid. De beschikking dateert van 17 februari 2025 (ECLI:NL:RBOBR:2025:963).
Afsluiting
Er zijn diverse ontwikkelingen gaande die relevant zijn voor het voorlopig deskundigenbericht. Zo is er het nieuwe bewijsrecht, waarmee een efficiënter verloop van civiele procedures wordt beoogd, met de nadruk op het vergaren van bewijs en informatie-uitwisseling voorafgaand aan de procedure. Hoewel er met het nieuwe bewijsrecht geen fundamenteel andere koers wordt gevaren, menen wij dat de wetgeving in de praktijk meer ruimte kan bieden voor het opvragen van medische informatie. Het toetsingskader daarin is namelijk verschoven van het ietwat terughoudender "ja, mits" naar "ja, tenzij." Daarnaast is er een nieuwe IWMD-vraagstelling ontwikkeld, die in feite eveneens meer efficiëntie beoogd, maar dan door te streven naar rapportages die duidelijker, beter onderbouwd en transparanter zijn. Daarbij is ook duidelijk aandacht voor de algehele gezondheidssituatie van de benadeelde, zowel voor ongeval als in de hypothetische situatie na en zonder ongeval. De mogelijkheden van het nieuwe bewijsrecht en de nieuwe versie van de IWMD-vraagstelling zullen zich in de nabije toekomst in de rechtspraak verder uitkristalliseren. Wij blijven onderschrijven hoe belangrijk het is dat partijen een deskundigenbericht verkrijgen dat hen verder gaat helpen en duidelijkheid geeft over aansprakelijkheid en/of causaliteit. In dat kader is van belang dat alle benodigde informatie beschikbaar komt voor de deskundige, want alleen dan zal het onderzoek - waaraan beide partijen in beginsel gebonden zijn - volledig zijn en alleen dan zal het doel van het nieuwe bewijsrecht, waaronder waarheidsvinding, worden bereikt.